In de nacht van 3 op 4 maart kon je, als de soms hardnekkige wolkensluiers je tenminste goed gezind waren, nog eens meegenieten van het fascinerende spektakel dat zich aan de hemel, schijnbaar tergend traag, voltrok.
Op zich is een maansverduistering, zelfs een volledige, niet echt een fenomeen waarvoor de leeuwinnen hun schoonheidsslaapje en chimpansees hun ondeugend nachtelijk wipje voor zullen laten, maar toch is het een moment waarop je even kan stilstaan en wegdromen, en de sneltrein waarmee je leven voorbij dendert, even naar het depot sturen voor wat broodnodig onderhoud. (Let wel op dat dat depot niet door de NMBS gebruikt wordt, anders kan je meteen de volgende maansverduistering erbij nemen ;))
Terwijl de aarde geruisloos maar vastberaden tussen de maan en de zon schuift, bedenk ik mij dat we jammer genoeg in een land leven, waarin mollen de schuld van die irritante hopen opgeworpen aardkloot niet langer meer op hun slechte zicht kunnen steken, de lichtpollutie heeft daar een stevige stok voor gestoken. Jammer, omdat er weinig dingen zijn die je zo confronteren met de vergankelijkheid van je bestaan, van de nietige betekenis van alle dingen waar je zoveel belang aan hecht, dan die fonkelende lichtjes aan een gitzwarte hemel.
Kijken naar een ster is zo intellectueel uitdagend en ademstokkend fascinerend, eens je beseft wat je eigenlijk mag ‘zien’, dat de minder stevige magen wel eens voor wat duizelingen kunnen zorgen (of zou het zijn van zo geforceerd omhoog te kijken?).
Op dat moment krijg je de kans om jezelf even grondig te relativeren, en je af te vragen of je eigenlijk je beperkte en dus kostbare tijd niet aan het vergooien bent aan zoveel nutteloze en frustratiebevorderende futiliteiten.
Al die onophoudelijke flikkerende lichtjes omvatten een dimensie waar we toch wel wat moeite mee hebben om te vatten: het heelal. Een enorme uitgestrekte ruimte, letterlijk oneindig groot, waarin we bepaalde patronen zijn gaan zien, die we dan sterrenbeelden zijn gaan noemen, en waaraan bepaalde aardbewoners griezelig veel krachten aan toegekend hebben. Astrologie is de correcte (pseudo-)wetenschappelijke term die, afhankelijk van de stand van de sterren op het moment van je geboorte, in combinatie met de stand nu, je heel wat ongetwijfeld boeiende informatie kan vertellen over jezelf, die je waarschijnlijk helemaal nog niet eens wist. “Oh, best vandaag geen pita met looksaus eten, want je ascendant staat in het huis van Pluto!”
Om een of andere reden ben ik veel te nuchter empirisch en teveel pragmatisch wetenschapper om dit al te serieus te nemen, maar dat is weer een hoofdstuk apart. Veel verder dan mijzelf afvragen wat Orion precies met zijn gordel doet als ie gaat slapen aan het andere halfrond, of dat de grote beer zijn melkpannetje ook gebruikt om in de winter lekker geurende warme melk met de nodige dosis smaakvolle en door zovele hardwerkende bijen bijna onophoudelijk geproduceerde honing binnen te laten glijden over zijn tintelende smaakpapillen, reikt mijn interesse in deze ‘wetenschap’ niet, tenzij dan misschien een zweem van voyeurisme.
Wetenschapper ‘pur sang’ wil ik voorbij het beeld, naar de puntjes die het beeld vormen, de sterren. Daar krijg je al meteen een confrontatie met een van de meest indrukwekkende figuren die ooit geleefd hebben, Albert Einstein.
Dit genie vatte een van de meest eenvoudige formules aller tijden, simpel in zijn eenvoud, maar zo onvoorstelbaar complex verweven met de meest ingewikkelde theorieën, schijnbaar parallelle definities van een aantal essentiële begrippen, samen als het bangelijk eenvoudige: <pre>E = mc²</pre> Toch heeft hij veel belangrijkere, maar veeleer aan het groot publiek voorbijgaande inzichten bijgebracht.
In een onbewaakt moment zou je deze vondst gewoon snel even in de mond nemen en bijna oneerbiedig op een t-shirt strijken, niet altijd even goed beseffend dat dit eigenlijk de poort is naar een hoger bewustzijn, en een doorgedreven zoektocht naar kennis, naar antwoorden die ons helpen proberen te bevatten hoe wonderlijk het heelal in elkaar zit, en wat voor een onbenullige schakel wij daarin zijn.
Eens gebeten door deze boeiende en moeizame zoektocht van Einstein, die het absoluut niet makkelijk heeft gehad, en die lang niet van onze vooruitgang kon profiteren, laat het je niet meer los. Onvermijdelijk kom je binnen afzienbare tijd terecht bij het begrip ‘tijd’.
Van tijd naar snelheid is maar een kleine stap, en als je nog een minuutje hebt, wandel dan even mee in deze fascinerende redenering.
Want, er is nog iets vreemds met de sterren waarnaar je kijkt aan de hand.
De maan is nu bijna helemaal verduisterd…
(Als je de blauwe (makkelijke) wandeling wil, sla dit stukje dan over)
Je herinnert je nog wel die idiote definitie die je in je middelbaar onderwijs ooit hebt moeten leren, en wel die van de ‘lichtsnelheid’. Het is een beetje een weggever, want de lichtsnelheid is de snelheid van het licht, niet meer en niet minder. Om de snelheidsduivel in je even te doen kicken legt licht per seconde in het luchtledige – en laat de ruimte nu per definitie zo leeg zijn – 300.000 kilometer per seconde (jawel, per seconde!) af.
Graaf nog net even iets dieper in dat verleden, en je herinnert je ongetwijfeld nog dat de maan op zo’n slordige 150.000 kilometer van de aarde staat. Vermits je je daarnet terug herinnerde hoe gezwind het licht zich voortbeweegt, kan je snel uitrekenen dat het licht dat op de maan vertrekt er ongeveer 8 minuten over doet om op aarde gezien te worden. Anders gezegd betekent dat dat als je op aarde naar de maan kijkt, je eigenlijk ziet wat er 8 minuten geleden gebeurd is.
De maan is het dichtste hemellichaam bij de aarde, dus wat je hiermee ook ineens bedoelt, is dat als je bijvoorbeeld naar de zon kijkt, je dus ziet wat er veel langer dan 8 minuten geleden gebeurde.
Vermits de afstanden tussen de hemellichamen zo groot zijn, heeft het dan ook niet echt veel zin om in kilometer te blijven cijferen en bedacht men als afstandsmaat het ‘lichtjaar’. Een lichtjaar – zo zie je dat fysica ook eenvoudig kan zijn – is de afstand die het licht in 1 jaar aflegt. Even snel rekenen leert ons dat licht in de ruimte zo’n slordige 9.460.800.000 kilometer per jaar aflegt.
(Hier gaat de blauwe (eenvoudige) wandeling weer verder)
De dichtstbijzijnde – en dat mag je vrij ruim interpreteren – ster die je kan waarnemen, is Alpha Centauri, die je ‘al’ kan vinden op 4,5 lichtjaar van ons verwijderd. Anders gezegd zie je, als je naar deze ster kijkt, nu het licht aankomen dat 4,5 jaar geleden vertrok vanop deze ster(!)
Duizelingwekkend, toch? Je denkt dat je naar al die prachtige sterren kijkt, terwijl hetgeen je ziet, al minstens 4,5 jaar geleden gebeurd is. Je kan zelfs niet garanderen dat de ster die je elke avond zoekt, nog bestaat. Het heelal is zo onvoorstelbaar groot dat er licht is dat vertrekt voordat je schreeuwend en hulpeloos dat warme nestje moet verlaten, en nog lang niet aangekomen is tegen dat je het hier voor bekeken moet houden. Het geeft het begrip ‘ruimte’ meteen een extra dimensie die we zelf eigenlijk met moeite rationeel kunnen vatten.
Het zet je eigen leven en dagelijkse beslommeringen meteen in een heel ander euh.. ‘daglicht’. We leven tegen een hels tempo, waarin we onmogelijk kunnen begrijpen dat we enkel maar op deze aardkloot zouden zitten als intelligentere diersoort. Nee, er moet wel een ‘meesterplan’ achter dit idee zitten. Het is dan ook in het begin wel even wennen aan die noodrem van de sneltreinvaart die je leven op dat moment nog heeft, en even drastisch van perspectief te veranderen.
In onze jachtige en droevige oppervlakkige wereld waarin we geleefd worden, hebben we de illusie dat we zelf voor een groot stuk aan het roer staan van de steeds meer desintegrerende speedboot vliegen over onze woelige maatschappij, waarin je maar best oplet met wie van rechts komt.
Onze belevingen, ervaringen, contacten, redeneringen, verwezenlijkingen, protesten, zijn allemaal zo oppervlakkig dat jezelf steken met een veiligheidsspeld je meer pijn doet.
Mensen willen niet meer weten waarom en hoe, het moet er zijn wanneer en hoe zij dat willen, de rest is bijzaak. Alles wat iets dieper graaft, is tijdverspilling en absoluut niet boeiend.
Het verstevigen van het zelfbeeld was inderdaad dringend nodig, maar het uiteindelijke effect is dat iedereen ostentatief begint te demonstreren hoe hij of zij hierop in alles denkt recht te mogen claimen. Of het nu gaat over je beurt afwachten, of wildparkeren, tot zelfs belachelijke behandelingen voor je persoon eisen, zelfs tragische dingen zoals mensen die denken het recht te hebben van de weg te maaien omdat ze zo nodig angstaanjagend snel denken te mogen rijden.
Onze maatschappij zit als gevolg van deze evolutie met massale hoeveelheden individuele ego’s, zodat de marketingmensen van de vervoersmaatschappijen Europawijd aan het uitvlooien zijn hoe ze al die ego’s een zitje kunnen laten meebetalen. Tenslotte is de capaciteit op een bus bijvoorbeeld hierdoor sterk verminderd, de omgekeerde evenredigheid tussen het aantal plaatsen en de gemiddelde verdraagzaamheid leert je dit.
Hoe groot gaat de verbazing niet zijn van al deze mensen als ze beseffen dat ze geen sterrenstelsel op zich zijn, en dat de andere mensen niet dienen als sterren of planeten die rond hen cirkelen, maar dat ze slechts een radertje zijn in een gegeven waarbij zelfs de slimste bollen moeten bekennen dat het zelfs hun geniale knobbel overstijgt.
Mijn bomma, altijd een wijze vrouw geweest, zei vroeger: “Het kerkhof ligt bezaaid met onmisbare mensen, onthou dat goed!” Zelf betrap ik er mij soms nog wel eens op dat ik denk dat het zonder mij minder goed zou zijn. Maar als ik, haar woorden indachtig, alles eens goed overzie, besef ik inderdaad dat we met zijn allen veel te onmisbaar denken te zijn en ons dus voor een stuk overschatten. Voorbeelden zijn hier overbodig, denk ik, we zijn er met zovelen het levende bewijs van.
Het is pas als je jezelf een realistische plaats hebt kunnen geven in heel dit immens systeem dat je je adem kan inhouden en genieten van de schoonheid en de onvoorstelbare duurzaamheid ervan, en dan best snel genoeg terug beginnen ademen, om al onze vervuiling die wij eraan toegevoegd hebben, uit je longen te krijgen.
Je zal mij, als liefhebber van empirische ervaringen, nooit betrappen op de gedachte dat er iets als God achter deze wonderlijke constructie zit. God is een concept, bedacht door dezelfde mensen die impliciet laten blijken dat ze niet weten waar ze het heelal kunnen beginnen vatten.
De maan ontsteekt langzaam de rustige gloed die we allemaal zo goed kennen en die ons kalmeert. Geniet nog even van de schitteringen van al deze fonkelende gasbolletjes, waarvan je nu een glimp kan opvangen. Morgen kan het misschien niet meer. Omdat de ster er niet meer is, of misschien omdat jij er niet meer bent…
Hoe dan ook ben ik blij dat je tot het einde bent gebleven. Onze sneltrein staat klaar in het station. Om ter snelst?
